|
Geschiedenis
|
Dr. G. Abma vermeldt als grondlegger van de Aebingastins Fecke Gosses Aebbinga,
die in de 15e eeuw grietman van het ‘Noordelijk Trimdeel van Leeuwarderadeel’ was.
Of dat klopt is twijfelachtig, want in 1420 worden hier reeds Gosse Æbingha en
zijn vrouw Trijn Goffedr. Roorda vermeld.
Het ‘Register van den Aenbrengh’ uit 1511 waarin werd opgetekend wie eigenaren en
gebruikers van landerijen waren, vermeldt onder Hijum een zekere Bennert Abingen.
Hij was niet alleen eigenaar van bepaalde stukken grond, maar voornamelijk pachter
van landerijen van de grootste grondbezitter van Hijum, het klooster
Mariëngaarde.
Rond 1787 werd Hijum als volgt beschreven in de ’Tegenwoordige Staat der Vereenigde
Nederlanden, vervattende het vervolg der beschryvinge van Friesland’ (14e deel):
"Hyem, gelegen aan de vaart Hyemer meer genoemd, welke de scheiding is van
Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel. Dit dorpje is klein, doch het voornaame Stamhuis
van de Aebinga’s, hebbende hier in de vyftiende eeuw gewoond. Feike Æbinga, Grietman
van Leeuwarderadeels Noorder-Trimdel. Ook liggen hier de overblyfzels van het sterke
Slot van Eminga, niet ver van Æbinga State. Weleer werden deeze Staten door twee
haatdraagende zusters bewoond, welke een geweldigen kryg in deezen hoek
veroorzaakten. Hyem heeft 14 stemmen."
Op een oude kaart van Het Bildt en omstreken staat Æbinga stins getekend als een
torenstins van drie verdiepingen hoog met zogenoemde arkeltorentjes op de vier hoeken
en daar tussen een schilddak. Aan de hand van de ruïne die Stellingwerf in 1723
tekende valt af te leiden dat stins later, hoewel iets beter bewoonbaar gemaakt, nooit
is uitgegroeid tot een state. De Aebinga’s zijn dan ook al vrij vroeg ‘uitgevlogen’
naar andere oorden.
|