|
Geschiedenis
|
De geschiedenis van Aesgama State vangt aan met Hessel Aesgama, die in 1467 een
landruil aanging met Gaithie Iwesma uit Rinsumageest. Daarna komen we Jasper
Aesgama tegen, die volgens het Stamboek een zoon van Hessel is. In 1511 komen
we een Jasper Aesgama tegen, die te Dantumawoude 74 pondemaat land aangaf, dat hij
zelf gebruikte. Waarschijnlijk gaat het hier om dezelfde persoon. Vermoedelijk was
Jasper anti-Bourgondisch gezind, want in 1516 kreeg Jeppe van Stania van de
inmiddels aan de macht gekomen Bourgondiërs toestemming schade die 'Syds Wobbesz
en Jasper in Dantummawold' hadden aangericht op hen te verhalen.
Jasper was gehuwd met Tiepck Tiepckesdr. Tzallingha (van Hantum). Jasper moet voor
1539 zijn overleden, want in dat jaar maakte zijn schoonzoon Tjalling van Mockema
een regeling met zijn weduwe over roerende goederen die Jasper had nagelaten.
Pas in 1640 is er weer iets bekend over de State. Eiegnaar is dan oud-hopman Taeke
Lieuwesz; in 1698 is ook dit goed in handen van Tiaerd van Aylva te Rinsumageest,
die het huis verhuurt. Ook na zijn dood wordt het huis door zijn erfgenamen
verhuurd, onder andere door mevr. Juliana Wilhelmina van Schratenbach in het
midden van de 18e eeuw.
Via haar erfgename kwam het huis in handen van J.B. de Coninck die het verkocht
aan secretaris Willem Bergsma; deze was het slechts om de kennelijk tot het
hornleger behorende stem te doen. Hij doteerde het geheel aan zijn zoon P.A.
Bergsma onder voorwaarde dat 'de schenker an sig behoudt de materialen tot de
huisinge behoorende, die de schenknemer tot zijn kosten af zal breken'.
Pieter Adrianus Bergsma stichtte een nieuwe behuizing op het oude hornleger en
veranderde de naam in Plantenhove. Pieter Adrianus werd grietman van Dongeradeel.
Hij deed veel om de kwijnende landbouw in deze streek weer produktief te maken. Zo
liet hij tabak verbouwen en eem tabakschuur optrekken. Kwam dit niet tot bloei, de
verbouw van cichorei ging beter en legde hem geen windeieren. Hij liet zijn tuin
uitbreiden over de weg zuidwaarts. Hier kwamen een bosje, vijvers, plantsoenen en
een berg, met andere woorden, een landschappelijke tuin werd aangelegd.
In het oproerjaar 1797 werd Bergsma gevangen genomen; maar later weer vrijgelaten,
waarna hij het echter niet meer tot grietman bracht. Dat was voor zijn zoon
Jacobus Johannes weggelegd, die tot 1845 deze funktie vervulde en op Plantenhove
woonde.
Het goed wordt dan verkocht aan Broer P. Plantenga en omschreven als 'een
aanzienlijk en zeer aangenaam gelegen buitengoed met een hechte en
welonderhoudenen Heerenhuizinge, voorzien van onderscheidene net behangen kamers,
twee ruime woonkelders, twee wijn- en een provisiekelder, een ruime keuken, twee
koets- en wagenhuizen'. Voorts 'een grote bloemenkast, broeibakken, een
tuinmanshuis, een orangerie, honderd zware opgaande eiken en andere boomen, een
vischvijver en Berg'.
De Plantenga's hebben er slechts zeven jaar gewoond en deden het huis over aan
notaris van Riesen, die de overtuin liet uitroeien. Ook zijn opvolger notaris W.H.
Hellema bewoonde Plantenhove. Diens zoon H.W. Hellema liet Plantenhove afbreken in
1906 en vervangen door een boerderij, die de naam Linia's Hoeve kreeg. In 1929
verkocht hij het huis aan de 'Chr. vereniging tot verzorging van ouden van dagen',
de Talma-Stichting.
Helaas is er geen afbeelding bewaard gebleven van de Aesgama State.
Van Plantenhove is een oude foto bewaard gebleven. Op deze foto zijn we het huis,
waarop in jaartalankers het jaartal 1765 zichtbaar is. Dit is waarschijnlijk de
stichtingsdatum van het huis.
Het bestond uit een onderkelderde hoofdvleugel met licht voorspringend
middenrisaliet, dat in een hoge zogenaamde Vlaamse gevel eindigde. Deze had een
klokgevelvorm en bevatte twee vensters boven elkaar, waaruit blijkt, dat het hoge
dak van de hoofdvleugel een zolderverdieping en een vliering bevatte. Op de hoeken
stonden grote schoorstenen met borden. De hoofdverdieping was langs een bordes met
sierlijk gesmede leuningen bereikbaar. De vensters hadden in de laatste fase van
het huis 6 ruiten. Ter zijde waren nog voorspringende dienstvleugels, die aan de
voorzijde blind waren, daar er treillages voor klimplanten tegen waren
aangebracht. De linkervleugel haad aan de achterzijde een schoorsteen, aan de
rechtervleugel ontbreekt deze.
Voor het huis ziet men tussen twee bomen een tuinbeeld dat zich nog in de tuin
bevindt van de in 1906 gebouwde Linia's Hoeve. Het stelt een grotendeels naakte
jonge faun voor, slechts omgord door een leeuwenhuid; de rechterhand is onhoog
geheven en draagt een kruik, de linker rust op een wingerdstam met druiven. Van
Plantenhove zullen voorts nog afkomstig zijn de hekpalen met 18e eeuwse bollen,
waarvan er 3 nog gaaf zijn. In de tuin staan er nog 2 op lage voetstukken.
Achter het op het oostelijk aangrenzende terrein, dat mogelijk tot Plantenhove
heeft behoord staat een rechthoekig gebouw met verdieping onder zadeldak tussen
topgevels en met vensters verdeeld door roeden in kleine ruiten. Mogelijk was dit
het tuinmanshuis met oranjerie, dat in 1845 genoemd wordt. Ervoor ligt een
cirkelronde vijver.
Op het terrein staat ook nog een theekoepel, die uit de 20e eeuw dateert.
|