|
Geschiedenis
|
Rond 1565 woonde hier Epe van Douma die een voorvechter van de Unie van Utrecht
was en vele rekesten aan de Hertog van Aremberg mee ondertekende. Op zeker
moment moest hij het land ontvluchten om aan de handen van de onmenselijke
Inquisitie te ontkomen.
Anno 1615 "sturven den edelen erentphesten juncker Barthold van Douma out 48
jaer alhier begraven" vermeldt een van de grafzerken in de dorpskerk.
Op 26 april 1650 overleed zijn zoon "den WelEdelen Erntfesten Heer Jonkheer Epe
van Douma, in zijn leven Grietman van Ferwerderadeel" volgens diens grafzerk in
de Hallumer kerk. In november 1644 was zijn vrouw "den Edelen ende
deugdenrijken Jufvrouw Siouck van Hiddema" daar al begraven.
Een jaar voor zijn overlijden deed Epe afstand van zijn functie als Grietman
ten gunste van zijn zoon Barthold, die op 7 april 1649 als Grietman werd
aangesteld. Hij was naast Grietman tevens Ontvanger Generaal van Ferwerderadeel
en "mede gecommitteerde in de regeringe van Friesland". In 1663 is Barthold van
Douma een van de initiatiefnemers en financiers van de aanleg van een trekweg
langs de vaart van Hallum naar de Dokkumer Ee. Op 19 februari 1664 werd daarvoor
door de Staten van Friesland octrooi (vergunning) gegeven. Hij heeft er niet
lang van kunnen genieten, want hij overleed op 5 maart 1668 op 48-jarige
leeftijd en werd in de kerk van Hallum begraven. Onder de grote zerk ligt ook
zijn in 1684 overleden vrouw Dorothea van Crack.
Hun dochter Remck van Douma trouwde met Ulbo Sixma van Andla, sinds 1721
"president in den Hove van Friesland", waardoor Douma State in het geslacht
Sixma van Andla over ging.
De verdwijning van Douma State beschrijft dr. Cannegieter als volgt: "Eene
stijfhoofdigheid is oorzaak geweest van de slo¬ping van Douma state. De heer
Sixma, die geene mannelijke afstammelingen had, verspreidde het gerucht dat hij
wel genegen was zijne state te verkoopen. Op zekeren dag vervoegt zich ten dien
einde bij hem de heer Plettenberg, die in de Oost-Indien een groot fortuin had
gemaakt. Men wordt den koop, op eene klei¬nigheid na, eens, doch beide partijen
blijven onwrik¬baar op hun stuk staan. Eindelijk, na veel over en weder praten,
vroeg de Oosterling of hij over die kleinigheid kon heen stappen, want zoo hij
den drempel verlaten had, hij van den koop niets meer wilde weten. Sixma bleef
onverzettelijk en de koop had geen voortgang. Den volgenden dag evenwel was
Sixma tot andere gedachten gekomen. Hij rijdt naar Leeuwarden, zoekt Plettenberg
op, en geeft hem te kennen, dat zijn slot thans voor de geboden som te krijgen
is. Maar Plettenberg geeft ten antwoord, dat hij bij zijn gezegde van gisteren
bleef, en dat, met zijnen laatsten voetstap buiten de deur, de gansche handel
vernietigd was. Nu wordt Sixma toornig en zegt dat zijn huis na zijnen dood zal
afgebroken worden, en dat er geen steen op den anderen zal overig blijven. Dit
vonnis is maar al te wel nagekomen. Thans is alles in bouwland herschapen, niets
is er van overgebleven, als slechts een fraai ge¬houwen, steenen leeuw, die met
een grimmig gezicht het wapen van Douma in zijne klaauwen vasthoudt, die vroeger
zeker het voorplein van dat deftige verblijf der edele bewoners versierde, en
thans, als een gedenktee¬ken van het vergankelijke en wisselvallige van aardsche
grootheid en magt, in eenen particulieren tuin onder enen lindeboom geplaatst is.
Zoo verloor Hallum eene zijner oudste staten, die door hare ligging in zwaar
opgaand geboomte, dat door den naam van Sixma-bosch nog in herinnering gebleven
is, omgeven door breede grachten en singels, veel tot luister en sieraad van
het dorp bijgedragen heeft."
In de Leeuwarder Courant van 27 september 1794 werd Douma State aan de trekvaart
te Hallum bij afbraak te koop aangeboden. Op 6 en 28 september 1795 is Douma
State uit de hand op afbraak te koop, inlichtingen zijn in te winnen bij Pieter
Wesselius, timmerman en ijzerkoper te Leeuwarden. Op 23 april 1796 is vermeld
dat op Douma State te Hallum allerlei bouwmaterialen, een prieeltje of
"Turksche tent" en een ijzeren hek verkocht zijn.
In 1893 zijn een aantal terpen in afgraving, waaronder de terp "Hallumer
Zuidermieden" ofwel die van Gerbada/Douma State.
|