|
Geschiedenis
|
Evenals Feitsma werd Gerbada pas in de loop van de 16de eeuw een adellijk
bewoond huis. In 1511 was Ids van Eminga eigenaar; in 1540 diens schoonzoon
Jelger van Feitsma, gehuwd met Claer van Eminga. Jelgers beide dochters
woonden in Hallum: Tieth op Feitsma, Saepck op Gerbada. De laatste trouwde
met Epo van Douma uit Irnsum. Hun grafzerken zijn nog in de kerk
aanwezig.
Hun dochter Saep huwde Epo van Douma wiens goederen verbeurd verklaard werden,
omdat hij naar Emden uitgeweken was. Epo was een voorvechter van de Unie van
Utrecht en ondertekende vele rekesten aan de Hertog van Aremberg. Op zeker
moment moest hij het land ontvluchten om aan de handen van de onmenselijke
Inquisitie te ontkomen. Net als bij andere ‘foute’ edelen werden zijn
bezittingen verbeurd verklaard.
In 1605 woonde echter Barthold van Douma op Douma State. Anno 1615 "sturven
den edelen erentphesten juncker Barthold van Douma out 48 jaer alhier
begraven" vermeldt een van de grafzerken in de dorpskerk. Hij was gehuwd met
Saep van Douma, die hem tot 1654 overleefde. Hun zoon Erasmus erfde in 1615 en
liet Douma State bij zijn dood in 1631 na aan Edzard, zoon van zijn broeder
Epo, Griet¬man van Ferwerderadeel tot 1649. Epo gehuwd met Sjouk van Hiddema
wordt met vijf andere statebewoners als Grietman vermeld op de kerkklok van
1648. Het goed omvat dan huis, hornleger, bepoting, visserij en zwanenjacht
etc. Edzard stierf in 1676 en liet het huis na aan zijn broeder Barthold, die
in 1649 zijn vader opgevolgd was als Grietman en in 1659 gehuwd was met
Dorothea Crack. Barthold was naast Grietman tevens Ontvanger Generaal van
Ferwerderadeel en "mede gecommitteerde in de regeringe van Friesland". In
1663 is Barthold van Douma een van de initiatiefnemers en financiers van de
aanleg van een trekweg langs de vaart van Hallum naar de Dokkumer Ee. Op 19
februari 1664 werd daarvoor door de Staten van Friesland octrooi (vergunning)
gegeven. Hij heeft er niet lang van kunnen genieten, want hij overleed op 5
maart 1668 op 48-jarige leeftijd en werd in de kerk van Hallum begraven. Onder
de grote zerk ligt ook zijn in 1684 overleden vrouw Dorothea van Crack. Een
van hun schoonzoons Duco Martena van Burmania huurde de state, doch stierf een
jaar na Dorothea.
Hun dochter Remck van Douma trouwde met Ulbo Sixma van Andla, sinds 1721
"president in den Hove van Friesland", waardoor Douma State in het geslacht
Sixma van Andla over ging.
De laatste eigenaar was de kapitein Du Tour van Bel¬linchave, die het huis liet
afbreken. Hij was in 1792 gehuwd met Duconia van Sixma, dochter van A. T. R.
van Sixma en Albertina du Tour.
De verdwijning van Douma State beschrijft dr. Cannegieter als volgt: "Eene
stijfhoofdigheid is oorzaak geweest van de slooping van Douma state. De heer
Sixma, die geene mannelijke afstammelingen had, verspreidde het gerucht dat hij
wel genegen was zijne state te verkoopen. Op zekeren dag vervoegt zich ten dien
einde bij hem de heer Plettenberg, die in de Oost-Indien een groot fortuin had
gemaakt. Men wordt den koop, op eene kleinigheid na, eens, doch beide partijen
blijven onwrikbaar op hun stuk staan. Eindelijk, na veel over en weder praten,
vroeg de Oosterling of hij over die kleinigheid kon heen stappen, want zoo hij
den drempel verlaten had, hij van den koop niets meer wilde weten. Sixma bleef
onverzettelijk en de koop had geen voortgang. Den volgenden dag evenwel was
Sixma tot andere gedachten gekomen. Hij rijdt naar Leeuwarden, zoekt
Plettenberg op, en geeft hem te kennen, dat zijn slot thans voor de geboden som
te krijgen is. Maar Plettenberg geeft ten antwoord, dat hij bij zijn gezegde
van gisteren bleef, en dat, met zijnen laatsten voetstap buiten de deur, de
gansche handel vernietigd was. Nu wordt Sixma toornig en zegt dat zijn huis na
zijnen dood zal afgebroken worden, en dat er geen steen op den anderen zal
overig blijven. Dit vonnis is maar al te wel nagekomen. Thans is alles in
bouwland herschapen, niets is er van overgebleven, als slechts een fraai
gehouwen, steenen leeuw, die met een grimmig gezicht het wapen van Douma in
zijne klaauwen vasthoudt, die vroeger zeker het voorplein van dat deftige
verblijf der edele bewoners versierde, en thans, als een gedenkteeken van het
vergankelijke en wisselvallige van aardsche grootheid en magt, in eenen
particulieren tuin onder enen lindeboom geplaatst is. Zoo verloor Hallum eene
zijner oudste staten, die door hare ligging in zwaar opgaand geboomte, dat door
den naam van Sixma-bosch nog in herinnering gebleven is, omgeven door breede
grachten en singels, veel tot luister en sieraad van het dorp bijgedragen
heeft."
Net als het verhaal van het ‘Grouwe Pak’ dat zich op Liauckama State te Sexbierum
afgespeeld zou hebben is dit een typisch 19e eeuws romantisch verhaal dat niet
klopt. Hij laat dit verhaal zich afspelen rond 1850 terwijl de state toen reeds
50 jaar verdwenen was en ook zijn jonker Sixma al lang geleden het loodje had
gelegd.
In 1622 wordt Douma als adellijke state aangegeven. In 1648 worden bij de state
naast huis, hornleger en bepoting ook visserij en zwanenjacht genoemd. Rond 1640
werd Douma vergroot doordat naast Gerbada ook de naburige goederen Denia sate,
Unia state en Burmania (1700) oftewel Bernarda state (1850) bij het landgoed
waren gevoegd. Unia en Burmania-Bernarda waren oorspronkelijk kloosterland
geweest van klooster Nazareth.
Het huis werd in 1722 door Stellingwerf getekend. Het bestond uit een zaalstins
van twee woonlagen tussen trapgevels; waarschijnlijk daterend uit de 16de eeuw.
In de 17de eeuw werd er een lang gebouw van één woonlaag, met een gezwenkte
eindgevel, Vlaamse gevels en pilasters toegevoegd. Een poort met een wapensteen
gaf toegang tot het stinsterrein.
In de Leeuwarder Courant van 27 september 1794 werd Douma State aan de trekvaart
te Hallum bij afbraak te koop aangeboden. Op 6 en 28 september 1795 is Douma
State uit de hand op afbraak te koop, inlichtingen zijn in te winnen bij Pieter
Wesselius, timmerman en ijzerkoper te Leeuwarden. Op 23 april 1796 is vermeld dat
op Douma State te Hallum allerlei bouwmaterialen, een prieeltje of "Turksche tent"
en een ijzeren hek verkocht zijn.
In 1893 zijn een aantal terpen in afgraving, waaronder de terp "Hallumer
Zuidermieden" ofwel die van Gerbada/Douma State.
Op de kadastrale minuutplan van circa 1832 is er op het terrein geen bebouwing
meer aangegeven. Wèl was toen het grachtenpatroon nog op het terrein aanwezig.
|
|
Bronnen
|
Tekst: Jan Leemburg
D. Cannegieter, Geschiedkundige herinneringen van Hallum, artikelen in de Friesche
Almanak van 1851 en 1852
G.A. Wumkes, Stads en Dorpskroniek van Friesland, 1930
P.N. Noomen, De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 2009
Herma M. van den Berg, De monumenten van geschiedenis en kunst, Noordelijk
Oostergo, Ferwerderadeel, 1981
A. Algra, De historie gaat door het eigen dorp, ca. 1955
Afb. 1: De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners
|