|
Geschiedenis
|
Op een kaart uit 1622 van P. Winsumius in Frisia Occedentalis komen we ten zuidoosten van de kerk van
Wouterswoude de naam Goslinge tegen. Omdat er geen schriftelijke bronnen bekend zijn, die spreken over
een stins bij Wouterswoude, zullen we op een andere manier aan informatie moeten komen.
In het boek van T.E. Teunissen uit 1938 met als titel "Âld Dantumadiel: de Dokkumer Wâlden yn
eardere en lettere tiid" (Oud Dantumadeel: de Dokkumer Wouden vroeger en nu) schrijft hij het
volgende: 'Yn 1511 fynt men yn Wâlterswâld in 'Jan Bousche' as boer op in pleats fan
Grytman Tsjarda. Dy syn soan Mr. Syds T. syn dochter Mary fen Tsjarda troude mei Feye fen Goslinga to
Driesum. Kaerten út it begjin fen de 17de ieuw jowe súdeastelik fen de Wâlterstjerke, dus nei Driesum
út, in oarde "Goslinge" oan.'
Met andere woorden: In 1511 woont er in Wouterswoude een boer met de naam Jan Bousche op een 'plaats',
die eigendom is van grietman Tjaarda, Omdat zijn zoon Mr. Syds Tjaarda en daar de dochter van, Mary
van Tjaarda, getrouwd was met Feye van Goslinga van Driesum. Kaarten uit het begin van de 16e eeuw
geven zuidoostelijk van de kerk van Wouterswoude, dus in de richting van Driesum, een plaats
"Goslinge" aan.
Goslinge was dus eigendom van de grietman Tjaarda. Deze grietman was Schelte van Scheltema of
Scheltinga, die tussen 1500 en 1510 grietman van Dantumadeel was. Hij noemde zich ook Schelte van
Tjaerda, naar zijn vrouw Kinsck van Tjaerda. Hun zoon mr. Syds Scheltes van Tjaarda van Scheltinga,
trouwde met Anna Fliling en zij kregen twee dochters. De jongste, Mary Sydsdr van Tjaerda trouwde in
of na 1541 met Feye van Goslinga, die al vijf jaar later in 1546 in Wirdum overleed.
De schrijver van het boek wil waarschijnlijk zeggen, dat de stins mogelijk eerst Tjaarda heette en
door vererving pas later Goslinga.
Als bewijs dat hier mogelijk een stins heeft gestaan, is het feit dat op een kadastrale kaart uit 1887
het perceel dat dan nummer 851 heeft en in de volksmond aangeduid wordt als "Mids yn ‘e wrâld",
omringd wordt door een gracht.
In 2005 is er een archeo-magnetisch onderzoek uitgevoerd. Met dit onderzoek zijn er zones op het
terrein vastgesteld waarop mogelijk resten van bebouwing (puinconcentraties) in de bodem aanwezig
zijn. Er is toen een vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een waarderend archeologisch
veldonderzoek met grondboringen. Op de meest plekken waar men resten van bebouwing vermoedde, is
keileem aangetroffen op een diepte van zo'n 90 cm. Dit is leem waar vrij veel keiën in voorkomen.
De gronborinegn hebben verder geen archeologisch vondsten opgeleverd, dus er is geen verder onderzoek
uitgevoerd. De conclusie is dat hier waarschijnlijk geen resten van bewoning in de grond bewaard
is gebleven.
|