Offingaburg te Hallum

Ligging Deze State stond op de dorpsterp van Hallum, gemeente Ferwerderadiel, net ten westen van de kerk.

Tekening van de State uit 1722

Andere benamingen Offinga State, Offingahuis, Aebinga State
Ontstaan De oorsprong van Offingaburg ligt mogelijk in de 11e eeuw of eerder als een van de verdedigingsburchten langs de kust van de Middelzee.
Geschiedenis Offinga State zal ongetwijfeld de oudste van de states in en rond Hallum zijn. Een aanwijzing daarvoor is het feit dat het huis binnen de huidige weg rond de oude dorpskern stond, op de westzijde van de grote dorpsterp. Vrijwel zeker hoorde het hele gebied binnen de ‘ring’ bij deze state, getuige het feit dat tot in de 19e eeuw de huizen op b.v. de Lange- en Hegebuorren grondpacht moesten betalen aan de eigenaar van Offinga State. Ook de weg van Leeuwarden naar Holwerd maakte een lange bocht rond de oostkant van de terp, tussen de grondgebieden van Offinga-, Goslinga- en Sythiema State door. Maar dat is pas van (veel) later. Op de plattegrond van Hallum is aan de percelering ten zuiden van de state en de uitgang van het terrein aan de noordzijde recht tegenover de weg richting Ferwerd en Holwerd nog te zien dat de weg naar Holwerd ooit óver het terrein van Offingaburg liep. In oude tijden was de oude zeedijk met name in herfst en winter de enige bruikbare verbinding over land van Leeuwarden via Holwerd naar Dokkum. Die oude zeedijk was aangesloten op de dorpsterp van Hallum. Offingaburg zal dan ook niet alleen een verdedigingswerk geweest zijn tegen indringers vanuit zee, maar ook een controlepunt voor het verkeer over land. Dat dit tegelijkertijd een fantastische gelegenheid was om tol te heffen van alle passerende reizigers laat zich raden.
De weg aan de westzijde is pas veel later dan de oostelijke rondweg over het grondgebied van Offinga State aangelegd.

Het huis zal bewoond zijn geweest door het geslacht Offingahuizen dat al in 1045 vermeld wordt onder de edelen van Friesland. Douwe Offingahuizen reisde met enkele vrienden uit de families Roorda en Aylva naar het buitenland. Niet alleen voor de studie van kunsten en wetenschappen, maar ook om zich te bekwamen in de krijgskunde. Douwe Offingahuizen keerde met enige andere Friese edellieden terug nadat ze in Duitsland Keizer Hendrik behulpzaam waren geweest in de oorlog tegen Bohemen en Hongarije.
Jucka Offingahuizen en Cyprianus Goslinga hebben omstreeks 1230, onder Hendrik I, hertog van Brabant, de kruistocht meegemaakt tegen de "ongeloovige en afvallige Standingers".

Offinga werd in 1468 door de uit Hijum afkomstige hoofdeling Fecke Aebinga gekocht. Aan zijn zoon Bennert kon hij daardoor Aebinga in Hijum nalaten, terwijl zijn andere zoon, Schelte, Offinga verkreeg. Schelte bewoonde Offinga niet zelf; hij werd tenminste herhaaldelijk Schelte Donia genoemd, naar het aan Offinga grenzende stamhuis te Hallum van de familie van zijn vrouw, Hilck Remkesdr Donia, dat ze vrijwel zeker ook bewoonden. Offinga State werd verhuurd getuige het feit dat tot zijn dood in 1510 Worp Lieuwes Juckema op Offinga State woonde. Meer over hem is te vinden bij Oedsma State te Boksum. Rond 1500 werd Worp grietman van Ferwerderadeel. Hij werd in de kerk van Hallum begraven onder een geelgrijze zerk van Bentheimer steen. Het randschrift daarin vermeldt volgens dr. Cannegieter in 1850: "In ’t jaer ons Heren 15 en tien op sinte Eufemie daech staerf setijghe Woerp Juckama de Got ghenadigh sie biddet voer de sile ein pater". De van de andere zerken afwijkende steensoort is op zich al een bijzonderheid, maar dit grafmonument springt er extra uit doordat het met een lint aan een doornentak hangende wapenschild op het midden van de zerk niet is weggekapt in 1795 terwijl die op de andere zerken wèl allemaal verwijderd of vernield zijn.
Schelte Aebinga alias Donia had twee kinderen, Ricxt en Riurd, die achtereenvolgens op Offinga woonden. Ricxt woonde er met haar man Peter Aylva; zij stierf in 1543 en werd in de kerk van Hallum begraven. In de kerk van Hallum lag een ‘blauwe’ steen met het randschrift: "In ’t jaer ons Heeren 15 en 39 op sinte Willibrordus daech sterf de eerbare Heerschap Pieter van Ailva hier begraven. Ao 1543 den 21 daech April sterf Rixt Aebinghe sijn wijf". Aangezien de Aylva’s destijds nog geen state onder Hallum bezaten mag worden aangenomen dat hij en Rixt op Offinga State woonden.

Na het kinderloos overlijden van zijn zuster verruilde haar broer en erfgenaam Ruurd Scheltes van Aebinga zijn 'eenvoudige' huis op Donia State voor het veel deftiger en dichter bij de kerk liggende Offingaburg. Blijkbaar vond hij het nog niet deftig en groot genoeg, want hij bouwde er een voorhuis, een toren en een kamer bij die 'daechskamer' genoemd werd.
Riurd Aebinga maakte in 1557 zijn testament. Hij beschikte daarin over verschillende goederen in Hallum: ondermeer over Offingastaeten met husingen, hoff ende singel binnen Hallum daer ick in woene, met 90 pondemaat land naest aen dat voors. huys met de Terplanden en Vischmeeden, en verder over Donya sate, Lyobbema by Donya, een sate in den bueren en een andere by den bueren, twee huissteden die daarvan waren afgesplitst, alle huissteden aan de westzijde van de buren, 2 pondemaat fennen aen dat Sandtpadt, de sates Lyonia en Schierestins in Ondersmaburen, een sate bij Doniahof, en één aan de Hereweg, renten uit de sate Op Terp bij Schierestins, uit Worpsma-sate aan de Hereweg, uit de sate In der Muntz bij Jayma-zaete.

Rond 1565 woonde hier Hette Ruurds van Aebinga, die sympathiek stond tegenover de Hervorming en de Unie van Utrecht. Toch woog zijn eed van trouw aan koning Philips bij hem erg zwaar, want toen in 1566 in een vergadering van edelen werd besloten een eerder door de koning uitgevaardigd bevel naast zich neer te leggen, was Van Aebinga tegen dat besluit, omdat dit strijdig was met de verschuldigde eerbied aan de koning. De meerderheid was echter voor het besluit en Van Aebinga werd te verstaan gegeven dat hij beter naar Hallum terug kon gaan en zich voortaan met zijn eigen zaken bemoeien, omdat men hem in Leeuwarden niet nodig had. Afwijkende inzichten werden onder de "verdedigers van de vrijheid" niet geduld.
In januari van het jaar nadat hij zo smadelijk uit de vergadering in de Oldehoofster kerk verjaagd was, tekende hij samen met een aantal andere Friese edelen een brief aan Aremberg om hun trouw aan de koning en hun gehechtheid aan de oude Godsdienst te bevestigen. Zijn naam staat bovenaan de lijst van ondertekenaren. Als beloning voor zijn trouw aan de Spaanse partij waaraan hij vele diensten bewezen had, werd hij door de koning tot Grietman van Menaldumadeel benoemd. Hij schijnt echter een slechte verstandhouding gehad te hebben met de ingezetenen van deze grietenij. Ook verloor hij het proces tegen zijn neef en vroegere voogd Pieter van Cammingha omtrent het eigendom van de heerlijkheid Ameland.

Hij bouwde bij Offingahuis twee keukens, waarvan één de blauwe keuken genoemd werd. Hij stierf op 4 juni 1575 aan een zwelling in de keel (“is smoert in die keel”) tijdens de bezetting van de schans te Oostmahorn. In eerste instantie werd hij begraven in de "Bagijne kerk" (Westerkerk) te Leeuwarden. Door de zorg van zijn zoon Schelte is zijn lijk opgegraven en in de kerk van Hallum bijgezet. Op een sterk afgesleten grafzerk in de kerk van Hallum was in 1851 nog te lezen dat daar Hessel Ruurds Aebinga begraven was.

Zijn enige zoon Schelte van Aebinga werd geboren op 2 april 1557. Hij werd voor zijn studie door zijn vader naar Bourgondië gebracht. Naderhand leefde hij enige tijd aan het hof van de Graaf van Aremberg. In 1586 trouwde hij met Gerland, dochter van Schelte van Liauckama. In 1598 werd Offingahuis te Hallum aangevallen en uitgeplunderd. Schelte werd gevangen naar Coevorden gevoerd, maar al snel weer vrijgelaten. In 1587 was hij, wegens Ferwerderadeel, volmacht ten Landsdage.
Ook hij liet Offingaburg flink verbouwen. Zij lieten de poort bouwen alsmede het langhuis en naderhand de zaal met twee andere kamers. Er was tevoren ook al een zaal, maar omdat die niet uit het water was opgebouwd wilde zijn vader Hette, toen hij de hierboven gemelde twee keukens had laten maken, de zaal ook veranderen. Omdat de timmerbaas inmiddels gestorven was en hijzelf in die onveilige tijden en uit vrees voor de vrijbuiters niet aanwezig kon zijn, nam een van de knechten het werk aan. Die ondergroef het huis zodanig "dat het hem op het lijf zoude gevallen zijn, zoo de werklieden hem voor het naderend gevaar niet gewaarschuwd hadden". Toen hebben zij er een ringmuur van negen voeten, uit de gracht opgemetseld, omheen gelegd. Mettertijd waterde die in en kon het enorme gewicht van het andere gedeelte niet dragen. De muur en de zaal begonnen uit te zakken en zouden ingestort zijn, zodat Schelte genoodzaakt was opnieuw te bouwen. Het oude heeft hij laten afbreken en vanuit de grond laten opbouwen. Onder de ene kamer was een kelder die in het midden op een pilaar rustte. Bij het leggen van de fundamenten constateerde men, dat op die plek een put geweest was waar een raamwerk omheen gemaakt was. Om verzakking van de nieuwbouw tegen te gaan heide men er balken en sparren in. In het jaar 1617 werd de nieuwe zaal verder opgebouwd. In het volgende jaar werd de schuur gebouwd, maar die was niet helemaal klaar toen Schelte ziek werd en zich uit alle wereldse beslommeringen wilde terugtrekken. Hij wilde niet meer over de bouwwerkzaamheden spreken, maar zich alleen met het heil van zijn ziel bezighouden. Na omstreeks elf weken ziek geweest te zijn, is Schelte op 16 oktober 1618 overleden en in een nieuw gemaakte grafkelder te Hallum begraven. Zijn vrouw Gerland is op 23 oktober 1632 op 84-jarige leeftijd overleden en ook in de kerk te Hallum begraven.

Zijn zoon Schelte Scheltes van Aebinga, geboren op 3 april 1599, verliet het land in 1601 op 13-jarige leeftijd om in Keulen te studeren. Daar verbleef hij vijf jaar, daarna vier en een half jaar te Douay, acht maanden te Atrecht, een jaar in Frankrijk en een jaar in Italië. Hij kwam in Hallum terug in 1613 en twee jaar later trouwde hij met Hylck van Cammingha, die bij haar oom en tante Ernst van Goslinga en Sjouck van Cammingha op Goslinga State te Hallum was opgegroeid. Hylck stierf in het kraambed op 25 oktober 1621 en is te Hallum in de grafkelder van de Aebinga’s bijgezet.
Schelte en Hylck woonden bij haar tante, dus op Goslinga State en niet zoals wel wordt beweerd op Offinga State. Na de dood van zijn vrouw is hij bij zijn moeder op Offinga State gaan wonen.
Schelte hertrouwde in 1632 op 44-jarige leeftijd met Andriesa Lucia van Bronckhorst en vestigde zich, na eerst op Minnemahuis te Leeuwarden en vervolgens op Martena State te Cornjum gewoond te hebben, op Offingahuis te Hallum.

Bij de begrafenis van stadhouder Lodewijk van Nassau in 1620 leidde hij samen met Tjalling van Camstra het eerste paard. Zijn naam en die van zijn eerste vrouw stonden ook op de kleine klok in de kerktoren. In 1664 was hij een van de landjonkers van Hallum die octrooi (vergunning) vroegen voor de aanleg van een trekweg van Hallum naar de trekweg langs de Dokkumer Ee. Bij zijn overlijden in 1666 legateerde hij een altaarkleed aan de H. Siardus. Daaruit zou men kunnen afleiden dat hij, net als zijn moeder, Rooms Katholiek was.

In 1722 wordt als eigenaar van Offinga State vermeld grietman F.H. van Camstra.
Offingahuis zou in 1738 afgebroken zijn door Willem Aemilius van Unia, grietman van Kollumerland, die gehuwd zou zijn geweest met Lucia van Camstra, de toenmalige eigenaresse van de state. Dat komt echter niet overeen met de Nieuwe Naamlijst der Grietmannen en ook niet met Ferwerda’s wapenboek waarin wordt vermeld dat Willem Aemilius van Unia gehuwd was met Lucia Juliana van Schratenbach.
Hoe dan ook, het huis waarvan Lucia van Camstra eigenaresse was is in genoemd jaar gesloopt. Op 4 december 1816 verkocht griffier P.F. Martin te Hallum "in het hof binnen de Camstrapoort aldaar" 86 iepen en essen en daarnaast nog 52 vruchtbomen. Deze poort heeft nog enkele decennia bestaan, maar is wegens bouwvalligheid rond 1845 ook afgebroken.

De graven van de Aebinga's op Offinga state lagen in de noorder zijkapel van de kerk. Hoewel zij Rooms-katholiek bleven, deden zij na de Reformatie herhaaldelijk ook schenkingen aan de Hervormde kerk: in 1648 ten bate van de klok, in 1666 voor Avondmaalsbrood en -wijn. In zijn testament van 1666 bepaalde Schelte Aebinga dat ter ere van de heilige abt Siardus van Mariengaarde een kasuifel moest worden gemaakt. Offinga vererfde tot aan de afbraak in 1738 steeds binnen de familie Aebinga en de in vrouwelijke lijn daaruit stammende familie Camstra.
In 1622 werd Offinga op de kaart van Winsemius als adellijke state Aebinga vermeld. Van het stinsterrein van Offinga is een opmetingskaart uit 1672 bewaard gebleven, waarop behalve het huis, het hiem en de schuur op de voorhof ook een aan de schuur vast gebouwd brouhuys aangegeven staat. De tekening van Stellingwerf uit 1722 toont een groot samengesteld complex, met een onderkelderde zaalstins en daaraan aangebouwd een hoekvormig gebouw van twee woonlagen met een deur en een traptoren in de hoek. Een poort geeft toegang tot de voorhof, een brug tot het huis.
De floreenadministratie van 1850 geeft de landerijen van Offinga state en het daarin opgegane Lyobbema by Donya onder FC78 duidelijk aan. Het geheel was toen 135 pondemaat groot. De omgeving van het voormalige huis maakte er, waarschijnlijk ten gevolge van administratieve fouten, geen deel van uit. Op de kaart van Schotanus (1718) en op de kadastrale minuut van 1832 zijn de grachten van Offinga state echter goed zichtbaar.
Bewoners rond 1045 mogelijk Douwe Offingahuizen
rond 1230 mogelijk Jucka Offingahuizen
tot 1510 Worp Lieuwes Juckema
tot 1539 Pieter van Aylva en Rixt Aebinga
1539 - 1543 Rixt Aebinga
vanaf 1543 Ruurd Scheltes van Aebinga
tot 1575 Hette Ruurds van Aebinga
1575 - 1618 Schelte van Aebinga en Gerland van Liauckama
1618 - 1632 Gerland van Liauckama
1632 - 1666 Schelte Scheltes van Aebinga
in 1722 F.H. van Camstra
Lucia van Camstra
Huidige doeleinden Er is niets van deze state terug te vinden.
Opengesteld n.v.t.
Foto's Kaartje van Hallum met daarop de 3 belangrijkste States
Bronnen Tekst: Jan Leemburg
D. Cannegieter, Geschiedkundige herinneringen van Hallum, artikelen in de Friesche Almanak van 1851 en 1852
G.A. Wumkes, Stads en Dorpskroniek van Friesland, 1930
P.N. Noomen, De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 2009
Herma M. van den Berg, De monumenten van geschiedenis en kunst, Noordelijk Oostergo, Ferwerderadeel, 1981
A. Algra, De historie gaat door het eigen dorp, ca. 1955
Afb. 1: De monumenten van geschiedenis en kunst, Ferwerderadeel
Afb. 2: De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners
Afb. 3: Archief J. Leemburg
Foto 1: Jan Leemburg