|
Geschiedenis
|
Thetinga State was het stamhuis van de familie Van Walta. Wie er het eerst was, is
niet bekend, maar de state gaat een aantal generaties over van vader op zoon die
allemaal de namen Pieter Douwes of Douwe Pieters dragen.
Pieter Douwes van Walta, getrouwd met Frouck Lieuwes van Juckema, stichtte in 1619
de familiegrafkelder in de kerk van Wieuwerd. Dat Pieter goed in de slappe was zat,
mag blijken uit het aantal boerderijen dat hij bezat: zeven onder Wieuwerd en vijf
onder Britswerd! In deze generatie wordt de traditie doorbroken, want van hun twee
kinderen sterft Douwe al op vrij jonge leeftijd zonder kinderen.
De "Tegenwoordige Staat van Friesland" vermeldt overigens: "De schoone State
Thetinga is het langst in weezen gebleeven, en veele jaaren bewoond door de Familie
van Walta, wier hoofdtelg Douwe, in den Oorlog tusschen de Gelderschen en
Bourgondiërs, de zyde der laatstgemelden hield; waarom hy, in 1522, op zyn Stins
werd aangetast door den Gelderschgezinden Edelman Heerke Feikes, die dit huis met
20 knechten veroverde, en ‘er bleef liggen’, om de gemeenschap tusschen Sneek en
Leeuwarden te belemmeren. Doch kort hier op werd hy, op zyne beurt, door den
Stadhouder Georg Schenk, belegerd, en, met het Leeuwarder zwaar geschut tot de
overgave gedrongen zynde, daar na met zyn volk dood geslagen". Douwe Pieters leefde
dus nog in 1522, maar of hij bij die belegering van zijn stins gesneuveld is of
kort daarna is overleden, wordt niet vermeld.
Na de dood van deze laatste Douwe Pieters van Walta wordt het hele Walta-bezit
eigendom van zijn zuster Luts Pieters van Walta, die trouwt met Cornelis Franciscus
van Aerssen, heer van Sommelsdijck en Spijk, kolonel bij de Ruiterij van gouverneur
Van Nimwegen. De kolonel stond vooraan in de aanval op Amsterdam in 1650. Van
Aerssen was een van de rijkste edelen van Holland en werd later gouverneur van
Suriname. Na de dood van haar tante Anna, een zuster van haar moeder, kwam het hele
familiebezit van de Juckema’s ook in handen van Luts.
De drie zusters van Van Aerssen behoorden tot de sekte van de Labadisten. Dat was
een groep protestantse volgelingen van Jean de Labadie, een geletterd en geleerd
man, die walgde van de voortdurende strijd tussen de Protestanten en de Rooms
Katholieken, maar in het bijzonder van de verschillende protestantse stromingen
onder elkaar. Hij werd gevolgd door gelijkgestemden, zoals de bekende Anna Maria
van Schurman, die na zijn dood in feite de leidster werd van deze groep. Ze leefden
allemaal bij elkaar in een soort commune en als ze lid werden, deden ze afstand van
al hun bezittingen ten gunste van de groep. Omdat omstanders dat maar vreemd gedrag
vonden, werden ze overal waar ze zich vestigden verdreven. Van Middelburg naar
Veere, van Veere naar Amsterdam, van Amsterdam naar Herford in Duistland en vandaar
naar Altona in Denemarken. Toen het daar na de dood van Jean ook niet meer veilig
was, konden zij zich door bemiddeling van de drie zusters van Cornelis van
Aerssen op Thetinga vestigen. In mei 1675 kwamen ze daar aan en al gauw kreeg het
slot, dat door hoge bomen omringd was, de naam "het Labadistenbos".
In 1675 telde de groep zo’n 100 leden, maar daar kwamen in de loop van de tijd
zeker 300 bij. Om iedereen onderdak te kunnen bieden werd de state regelmatig
verbouwd, waarbij de grote zalen werden opgedeeld in kleine woonvertrekken. Langs
de grachten werden nieuwe gebouwen neergezet. Om iedereen werk en eten te
verschaffen was niet het grootste probleem, want ook de twaalf boerderijen
behoorden bij de Labadistengemeente. Ondanks alle bezit en strakke leiding ging het
mis met de gemeente, tot die rond 1724 een stille dood stierf. Alle leden van de
gemeente kregen driekwart van de door hen ingebrachte bezittingen terug
en daarmee was de gemeente opgeheven.
Na de dood van de Van Aerssen van Sommelsdijcken werd veldmaarschalk graaf Maurits
van Nassau eigenaar van Thetinga State via zijn schoonmoeder Françoise van Aerssen
van Sommelsdijck. Die verkocht het landgoed voor 100.000 gulden aan Hans Willem
baron van Aylva. Bij die verkoop was bepaald, dat Koenradus Bosman, de laatste
leider van de Labadisten, zo lang hij leefde op de state mocht blijven wonen. In
ruil daarvoor hoefde de koper een kwart van de koopprijs pas te betalen na het
vertrek van Bosman. Die vertrok uiteindelijk in 1732 naar Leeuwarden, waarna de
baron de laatste 25.000 gulden betaalde en zijn gang kon gaan met de state. Baron
van Aylva liet de state opknappen en weer in oude staat terug brengen, maar in
1733, nog vóór de verbouwing klaar was, stierf hij. Dat betekende ook het einde van
de state, want zijn erfgenamen lieten alles afbreken. Geen steen bleef op de andere
en ook het bos werd volledig gerooid.
Op het stateterrein werd een boerderij gebouwd, de rest werd weiland.
|